6 Oct 2019
#On the nightshift….
Het moest gewoon een keer. Het verzoek om op het gala van het Nederlands Filmfestival de garderobe te gaan bemannen van 8 uur ’s avonds tot 4 uur ’s ochtends paste in mijn exploratie van de Nederlandse arbeidsmarkt, dus ik liet me inplannen.
Enigszins nerveus - had ik hier echt zin in? - meldde ik me bij de ingang aan, en werd door een vriendelijke beveiligingsman, zonder verdere vragen, binnengelaten. De woorden “Ik kom van Randstad” openen echt alle deuren, geen mens die verder wat vraagt. Ik dwaalde even rond in de verwachtingsvolle, maar nog lege lege foyer; de uitreiking van het Gouden Kalf, de hoogste onderscheiding in de Nederlandse filmwereld, was in volle gang in de grote zaal.
Twee collega’s van Randstad kwamen voor dezelfde klus. Na enig gezoek werd een line-manager gevonden, en kregen we een backstage pass om de uniformen te gaan halen. Altijd leuk, zo’n labyrint achter de schermen, met kleedkamers, champagne, bloemen en rondrennende half aangekleed personeel. In een Stadsschouwburg blouse toog ik weer naar boven, oordopjes in mijn zak, en miste de briefing, omdat niemand mij daarvoor had uitgenodigd. Ik heb al eens eerder op een filmfestival gewerkt, en het is standaard ‘happy chaos’. Dat komt door het hoge aantal vrijwilligers. Professionalisme is niet standaard, het hele gebeuren draait op enthousiasme en flexibiliteit. “Happy chaos is toch leuk!” riep een festival medewerker me halverwege de avond toe.
Mijn collega Ibra, een aardige, iets oudere, Marokkaanse Nederlander, met redelijk Nederlands, had een eigen zaak gehad in Groningen, en was net verhuisd naar Utrecht. Hij trok het niet helemaal met de honderden nummertjes op de kapstokken, maar hij deed z’n best. Hans, een vrolijke dertiger, die de indruk gaf nog een beetje op zoek te zijn naar de weg in het leven (“Was ik nog maar 20”, verzuchtte hij) rende hard door, hij vertelde dat hij veel horeca klussen deed.
Het werk was niet moeilijk, maar als je dat dus 8 uur non-stop moet doen, zonder een minuut pauze, zelfs niet om iets te drinken, de hele nacht door, en de kapstokken zijn overvol met dikke winterjassen, allerlei tassen, loodzware rugzakken, paraplu’s en schoenen, en je staat met z’n drieën, terwijl dat er eigenlijk zes hadden moeten zijn, dan wordt het wel een uitdaging. Het viel me ook erg tegen hoe fysiek zwaar dit werk is. De volgende dag was ik gebroken, met pijn in schouders, armen en voeten.
Mensen maken graag een praatje bij de garderobe merkte ik. De meest gestelde vraag: Mag ik even mijn tas, want ik kan die hoge hakken echt niet meer aan, even omruilen voor mijn sneakers graag?
De kalveren waren een verhaal apart, ze werden bijna allemaal afgeleverd bij de garderobe door de winnaars. Want wie wil er nou de dansvloer op met een loodzwaar stuk metaal in de hand? En wat is de wereld toch klein, als je een beroemde Nederlander bent. Ik ken ze niet, na meer dan 25 jaar in het buitenland, maar herkende aan de houding van een aantal mensen dat ze wel dachten dat ze beroemd waren. Ze reageerden dan ook verbaasd als ik vroeg hoe ze gingen onthouden dat dat hun kalf was. Maar mijn naam staat erop, riepen ze dan. “OK, kijkt U dan wel even goed als u uw kalf weer komt ophalen?”, adviseerde ik ze. Weer verbaasde blikken. Met een van hen heb ik nog even staan praten, een aardige man, dat bleek naderhand Jeroen Scholten van Asschat te zijn. Ik vind zijn vader een heel goede acteur. Ik heb Jeroen toen even mijn excuses aangeboden. “Sorry ik heb jaren in het buitenland gezeten, ik weet niet wie je bent, maar ik ken je vader wel.” Hij vond het niet erg. Hij had een kalf gewonnen, dus voor hem kon de avond toch niet meer stuk.
Halverwege de nacht, met zware onderbezetting, had ik een moment waar ik dacht: Ik loop nu weg, krijg allemaal maar wat! Maar ik heb op de Camino geleerd dat je veel meer kan dan je denkt, als je maar moet, dus ik sprak mezelf even toe, over het experiment, en ik ging door. Rennen. Sjouwen. Tillen. Hoe haal ik die loodzware tas van dit haakje wat op mijn schouderhoogte zit? Waar is het kalf van die mooie mevrouw en wat is haar naam? Trekken en rukken, kilo’s jassen boven op elkaar gepakt. Struikelen over de paraplu’s. En glimlachen tegen de gasten, alstublieft, prettige avond. De meesten waren erg vriendelijk, en nu herinner ik me dat er een man in rokkostuum was die tegelijk met zijn bonnetje subtiel een euro in mijn hand duwde, met een blik alsof hij me 20 euro had gegeven zodat ik nu voor hem keihard aan de slag zou gaan.
Om 4 uur was het afgelopen en mocht het garderobe personeel gaan. De jongens van de podium afbouw gingen meteen aan de slag. Het barpersoneel ruimde nog op tot 6 uur, zeiden ze.
Ik heb het overleefd, en ook weer gezien dat ik stressbestendig ben. Acht uur fysiek zwaar werk gedaan, in het weekend, in de nachtdienst, zonder pauze, en wat verdiende het? Ja hoor, gewoon het minimumloon, zonder toeslagen. Het predikaat ‘sociale welvaartsstaat’ is Nederland nu echt wel kwijt, vind ik. #inburgerenineigenland
30 August 2019
“Hoi Marion! Ik hoop dat je een prettige eerste werkdag hebt!” stond er op mijn telefoon. Zou hij dit echt sturen, of is het een automatisch bericht?
Na 25 jaar in het buitenland gewoond en gewerkt te hebben, ben ik terug in Nederland. Ik voel me net een kind, dat leert lopen. Toen ik vertrok, hadden we nog een ziekenfonds. Als ik dat als grappige opmerking bij een sollicitatiegesprek zeg, kijken jonge mensen me niet-begrijpend aan. O jee, ik ben oud geworden!
De wereld van werk zoeken en vinden is een totaal andere dan die ik verliet in 1995. Ik was gewend aan intake gesprekken op uitzendbureaus, waar de intercedent(e) mij graag wilde zien om kennis te maken en te bespreken wat voor werk het meest geschikt was voor mij. Nu wordt aangeraden vooral op de website te kijken en online te solliciteren of zelfs je simpel aan te melden voor een dienst.
Via een banen website (er zijn er tientallen, door de bomen het bos vinden - en geschikt werk - is een hele klus) kom ik terecht bij Youbahn. Ik stel me de naamzoek marketing brainstorm sessietje voor… Ze werken met een app, en het lijkt prachtig: je werkt bij opdrachtgevers wanneer je wilt, plant jezelf in, en bent in loondienst bij Youbahn. Dit klinkt veelbelovend en ook bekend in mijn oren: het ouderwetse uitzendbureau-model. Dus na enig geharrewar met het downloaden van de app (veel websites in Nederland werken niet perfect, er vallen veel steken: loze 404 links, bugs en ondownloadbare apps) ben ik gereed. Een vriendelijke dame van Youbahn belt nog even om te checken dat ik begrijp waar ik aan begin. Ja, ik geloof het wel. Ik ga werken. De volgende dag komt een wederom vriendelijke man van een ander, ingehuurd bedrijf, thuis langs met een scanner voor mijn paspoort. Om te verzekeren dat hij geen kwade bedoelingen heeft, wordt me een foto opgestuurd, met zijn naam, alsmede een GPS signaal waar hij zich exact bevindt, zodat hij op de minuut op tijd parkeert voor mijn flat. Zodra het paspoort gescand is, verschijnt mijn contract op het beeld van de scanner. Ik kan het nauwelijks lezen, maar wordt gevraagd om een digitale handtekening. “Pas wel op met het uurtarief he?” zegt de scan-man. “Ik zie het wel vaker, ze zetten een standaard uurtarief in het contract, maar dat moet aangepast worden.”
Nu is het een kwestie van ‘Open Diensten’ bekijken en klikken op wat leuk lijkt. Ik zie weinig. Inpakkers hebben ze nodig. En standbouwers, en veel afwassers. En heel veel gastvrouwen/heren, in verzorgingstehuizen. Het is niet geheel duidelijk wie er verzorgd worden, maar ik hoef niet schoon te maken, wel boterhammetjes smeren. Het levert rond de 10 euro netto per uur op, krap een euro boven het minimumloon. Het is op fietsafstand van mijn huis, dus ik klik op de eerstvolgende dienst, de volgende dag.
Als ik me meld bij de receptie, word ik vriendelijk, zelfs hartelijk, maar met verbazing begroet. Het blijkt een bejaardentehuis te zijn met veel demente patiënten. Ik loop wat zoekend rond. Beveiliging hebben ze hier niet. Later begrijp ik dat het een groter probleem is om de patiënten binnen te houden, dan indringers buiten.
In de ‘huiskamer’ waar ik dienst ga doen word ik dankbaar ontvangen door een vermoeid uitziende verzorgende, die in rap tempo opratelt wie er wat op de bammetjes krijgt en waar ik op moet letten met diabetes patiënten en mensen die niet zelf kunnen eten. De huiskamer ziet er best gezellig uit, met leuke meubels, boeken, spelletjes, een grote TV en een keuken met alles erop en eraan. De patiënten is een ander verhaal. Ik kijk rond en zie ongeveer zes mensen in enorme rolstoelen hangen. Sommigen hebben de kin op de borst hangen, anderen staren wat voor zich uit, en een enkeling heeft een ietwat heldere blik in de ogen. Ze dragen flodderige uitgelubberde kleding in onbestemde kleuren en dikke pantoffels. “Nou, je redt het wel he, fijn dat je er bent”, roept de verzorgende, voordat ze zich uit de voeten maakt. Haar dienst is voorbij. “Goedemiddag”, roep ik tegen de kamer. Gelukkig reageert mevrouw Kaat. Ze heeft pientere oogjes, maar ik weet dat dat niets zegt. Ik besluit een kopje thee te maken. In het handboek, wat me ook nog snel in de handen gedrukt werd, vind ik een overzicht van wie wat drinkt. Meneer van Eik zoetjes, hij is diabeet, mevrouw van Olst suiker in de thee, en mevrouw Takstra drinkt uit een speciale beker met een tuitje. Mevrouw Kaat wordt ongedurig en roept dat mevrouw Takstra een stom mens is. Ik geef haar snel een kopje thee, maar ze duwt het met kracht weg, een geluk dat het niet omvalt. Ik had voor de gezelligheid wat koekjes op tafel gezet, maar mevrouw van Olst heeft ze allemaal gepakt en verkruimeld op haar trui, een vreselijke zooi. Gelukkig redt Mevrouw Takstra het nog net om zelf de handvaten van het tuinbekertje vast te pakken en een slokje haar mond in te krijgen. Meneer van Eik roept opeens vanuit zijn rolstoel: “Wat ben ik die rotkop zat!” Ik kijk zijn richting uit en zie dat al de hele middag het gezicht van André Rieu op het tv scherm staat. Als het tijd is voor de boterhammen, word ik verzocht om het Onze Vader voor te dragen. Mijn ouders zouden trots op me zijn, hoewel een spiekbriefje wel nodig is. Dan mag Ik stukjes brood langzaam naar binnen werken bij mevrouw Takstra, en bij anderen zorgen dat als ze zelf smeren, het wel op het brood gebeurt en niet op tafel of kleding. Tussen 6 en 7 uur, na de avondboterham, komen de verzorgenden de mensen één voor één ophalen om ze naar bed te brengen. Het moet vroeg, er is personeelstekort, slechts 2 verzorgenden moeten 15 mensen naar bed brengen. Ik was wat af, ruim op, schrob de onderkant van de tafels (al die demente zenuwachtige vingertjes de hele dag), veeg de vloer en dan zit de dienst erop. Ik vind het onbegrijpelijk dat ik zonder sollicitatiegesprek, zonder enige check of ik geschikt ben, gewoon deze dienst kon kiezen en uitvoeren. Terwijl de opleiding voor verzorgende 18 maanden duurt! Ik zie op de app verder helemaal geen leuke andere baantjes, dus schrijf me in voor nog een dienst in dit oord, op de afdeling PG.
Ik ontdek dat PG staat voor Psychiatrische Geriatrie en verbaas me alweer dat ik daar, niet gehinderd door enige opleiding of ervaring, mag werken. Op deze afdeling verkeren ouderen die dement zijn, maar ook vaak ‘dwalend’, dus het is een gesloten afdeling. Deze mensen zijn lichamelijk fitter en veel socialer, met alle gevolgen aandien. Mevrouw Velzen denkt dat ze nog steeds verpleegkundige is, neemt van iedereen de pols, en doet mij even de schrik om het hart slaan, als ze beweert dat mevrouw Staal, die ligt te slapen, geen pols meer heeft, niet meer ademt en dus niet slaapt, maar waarschijnlijk dood is. Mevrouw Bok geniet van dwarsliggen. “Hoezo eten? Ik hoef toch niet nu te eten? Misschien wil ik wel niet met die mensen aan tafel!” Elk half uur vroeg ik even of ze al trek had. Ze verborg zich achter haar krant. “Nee hoor, dank U!” Mevrouw Juinen roept vanaf de eettafel: “Is het bedoeling dat we hier blijven wonen?” Ze zit hier al twee jaar. Later kan ik lachen om de situatie waar mevrouw Velzen de rollator van mevrouw Jansen heeft gestolen. Mevrouw Jansen is zelf niet dement, maar staat haar man bij die helaas wel is geveld door deze ziekte. Na enig geruk en getrek aan het vehikel, kunnen we hem toch teruggeven aan de rechtmatige eigenares. Mevrouw Staal wordt eindelijk wakker, maar als ze wakker is, ligt ze alleen maar gillend te huilen. Wat zou deze vrouw meegemaakt hebben in haar leven? De andere patiënten worden erg onrustig en ergeren zich ook. Er is weinig sympathie. Ik merk dat ik het wel aankan, rustig tegen mensen praten, even contact maken, en ontdek dat een hand even vastpakken, een kort één-op-één gesprekje, vaak al rustig maakt. Een vriendelijke dame zegt tegen mij: “Hoe heet je eigenlijk?” Ik vertel het en ze zegt dan: “Maar hoe weet je eigenlijk hoe ik heet?” Ik lieg dat er een stickertje op de achterkant van haar rolstoel zit, en vertel niet dat ik een iets beter geheugen heb dan zij. Ik leer dat het beter is om mee te praten met de patiënten, ook al is het onzin, in plaats van ze te corrigeren. Ik ga aan het eind van mijn dienst even bij de huiskamer kijken waar ik gisteren werkte. Vreemd genoeg moet ik bekennen dat ik me al een beetje gehecht voel aan de mensen daar. Mevrouw Kaat zit er rustig bij deze keer. Ze herkent me niet. Maar dat geeft niet, in dit werk geldt het moment. Als je iemands welzijn een moment kan verbeteren, dan is het goed. Want er is geen verleden of toekomst.
Het overheersende gevoel wat ik aan deze ervaring overhoud is ongeloof en triestigheid. En dat ik hier zomaar ingegooid ben. Ik heb veel bewondering voor het vaste personeel. Ze zijn lief voor de mensen, geduldig, en werken keihard. En het lijkt wel of het halve tehuis door vrijwilligers wordt gerund, er moet een enorm tekort zijn, en dat zie ik ook aan alle openstaande diensten op mijn werk-app voor dit en andere verzorgingstehuizen. Ik vrees dat dit in de toekomst alleen nog maar erger gaat worden.
#inburgerenineigenland